Differentiatie tennis

Leerlingen verschillen sterk in de mate waarin en de wijze waarop zij tennis spelen.

Deze niveauverschillen in gedrag en speelwijze maken van het lesgeven een complexe aangelegenheid. De oorzaken kunnen zeer uiteenlopend zijn. Er is niet een eenduidige aanpak om de verschillen te verkleinen. We hebben ook niet de illusie dat je met onderwijs de verschillen tussen leerlingen kunt/moet wegwerken. Wel is het van belang, dat de docent de tolerantie van leerlingen met betrekking tot verschillen moet zien te vergroten. Wij denken dat dit een voorwaarde is voor goed spelonderwijs, want anders kun je niet meer samen aan dezelfde activiteit meedoen. De prioriteit van de docent zal vaak bij de minder goede tafeltennissers liggen. Zij moeten net zoveel leerkansen krijgen en ook aanpakken als de betere leerling. Maar net zo belangrijk is dat de beide verschillen leren accepteren. Hierbij mogen de belangen van de betere tennisers niet ondergesneeuwd raken. Het mag niet zo zijn, dat zij zich keer op keer en les na les zich moeten inhouden. Een lesintroductie van de docent in de wijze van hoe we met elkaar om dienen te gaan is dan van belang. Als iemand iets niet kan, wordt hij niet uitgelachen en een goede tennisser helpt de ander beter worden. Bij wedstrijdjes badminton zijn de belangen van de verschillende partijen tegengesteld. En als je het spel serieus neemt, dan moet je proberen te winnen. Dat vragen we ook van de leerlingen. Maar als het belang om te winnen te groot wordt, dreigen andere belangen (bijvoorbeeld het belang van het krijgen van leerkansen) weggedrukt te worden. In de context van het onderwijs vinden wij het leerbelang groter dan het wedstrijd belang.

Bij een effectieve gedifferentieerde aanpak zal dus rekening gehouden moeten worden met een diversiteit aan oorzaken. In het onderstaande schema met toelichting geven we enigszins structuur aan differentiatie mogelijkheden.

Factoren van differentiëren

  1.  Motieven van spelen
    * hoog houden (makkelijk aanspelen)
    * sparren (moeilijk aanspelen)
    – bij één of
    – bij allebei
    * wedstrijd (uitspelen)
  2. Techniek als middel om bedoelingen te realiseren
    * neutraal (= rally) spelen (makkelijk kunnen terugspelen)
    * opbouwen (met moeite kunnen terug spelen)
    * scoren (moeilijk kunnen terug spelen)
    * voorkomen van scoren – uitlokken
  3. Niveau bepalende factoren
    (eventueel combineren):
    *richting/plaatsen
    *variatie (links/rechts en kort/lang)
    * vaart
    * rotatie
    * tempo
    * schijnbeweging
    * camouflage
  4. Afmetingen veld
    *smal en lang
    *breed en lang
  5. Nethoogte
    *hoog
    *normaal
  6. Materiaal
    *aangepast
    *standaard
  7. De opdracht van de docent
    *spelregels
    *telling
    *het aantal beurten en
    *de kwaliteit van het aantal beurten
  8. Groepensamenstelling
    *homogeen van niveau
    *heterogeen van niveau
1. Motieven

Motieven om te tennissen spelen een belangrijke rol bij tennis en zijn een voorbeeld van een oorzaak van verschillen in gedrag en speelwijze. Sommigen leerlingen hebben minder waardering voor winnen en verliezen en spelen liever met elkaar, waarbij de bal in het spel houden het doel is . Veel kinderen kennen het spel van de straat en de camping. Daar gaat het vaak ook om de bal in het spel houden. De lol van het spelletje zit hem in het met elkaar spelen. Als er geen net tussen zit, zien wij dit als een vorm van jongleren.

Bij sparren is nog steeds het opgang houden (speelbaar houden) het doel, maar als extra moeilijkheid moet de tegenstander nu wel enigszins uitgedaagd worden. De bal moet met opzet naast, voor of achter de partner gespeeld worden, zodat die enige moeite moet doen om de bal te retourneren. Je kunt het initiatief bij één speler leggen of bij twee (zie ad.2). De uitdaging mag niet zover gaan, dat het de bedoeling wordt dat de partner de bal niet meer kan halen. Is dat wel het geval dat gaat sparren over in een wedstrijd. Ter verduidelijking drie voorbeeldsituaties.

Voorbeeld situatie 1 : Thema: Spel van achteruit met de bedoeling om op te bouwen (tegenstander kan met moeite terug spelen)

Kernactiviteit 1

Arrangement : een langnet over de breedte van de zaal, 8 veldjes (12m bij 2,75m), 16 mini-tennisrackets, 8 ballen en elk tweetal 3 kranten.

Opdracht : In de veldjes liggen 2 kranten naast elkaar bij de good-guy en 1 krant bij de bad-guy. De bad-guy speelt ad random op een van de twee kranten van de good-guy, de good-guy speelt de bal op de enkele krant die aan de fh-kant ligt van de bad-guy. De leerlingen sparren dus door ad random links en rechts te plaatsen om de good-guy meer aan het werk te zetten.  Nu ligt het initiatief bij één speler (namelijk de bad-guy), daarna is een uitbouw mogelijk door het initiatief bij beide spelers te leggen (beide zijn dan bad-guy).

Kernactiviteit 2

Voorbeeld situatie 2 : Thema : Spelen van achteruit met de bedoeling om op te bouwen (tegenspeler kan met moeite terugspelen) en uit te lokken (tegenspeler wordt uit gedaagd om iets te doen waar bij niet goed in is) door de bal diep te plaatsen op de backhand.

Kernactiviteit 3

Voorbeeld situatie 3 : Thema : Spelen van achteruit met de bedoeling om op te bouwen (tegenspeler kan met moeite terugspelen)

Arrangement : een langnet over de breedte van de zaal, 8 veldjes (12m bij 4,5m), 16 tennisrackets, 8 ballen en 3 stroken gemaakt van stukjes schilderstape of getrokken met krijt.

Opdracht : De leerlingen sparren op veldjes met drie stroken, een midden strook en twee zijstroken. De badguy speelt met de forehand in de linker- of rechterstrook. De goodguy probeert de bal weer terug te slaan naar het linkervak van de aanvaller (op zijn forehand).

Met name door de manier van begeleiden van de spelactiviteit laat je als docent merken waar het je om gaat. Waar kom je op in? Waar leg je het spel voor stil? Wat wijs je aan als goed? Als je steeds nauwkeurig de stand bij laat houden en informeert naar wie er gewonnen heeft, dan zal de opmerking dat het niet om de knikkers maar om het spel gaat, niet goed overkomen.

2. De techniek als middel om bedoelingen (uitdagingen) te realiseren

We noemen deze bedoelingen of uitdagingen op de HALO ook wel beweegthema’s. Met name bij het ordenen van een lessenserie of een leerlijn zijn de bedoelingen of uitdagingen een geschikte manier om daar structuur aan te geven. De keuzen van een bedoelingen of uitdaging van het spel tennis in een les zal in elke context anders zijn.

Bijvoorbeeld de bedoeling ‘scoren’ met als middel de smash, zal in een bepaalde klas makkelijker te realiseren zijn dan de bedoeling ‘het voorkomen van scoren’ met als middel ‘blokken’ (lees het verwerken van de smash). Door de vaart die de bal na de smash heeft kan de bedoeling (uitdaging) voor een leerling niet haalbaar worden. Dit brengt ons bij Ad.3.

3. Niveau bepalende factoren

Het scoren doormiddel van een forehand kan een leerling plaatsend doen (op de backhand van de tegenstander), met vaart of beide. Het combineren van bedoelingen (uitdagingen, zie Ad.2) met niveau bepalende factoren kan voor de docent een uitstekend middel zijn om te differentiëren.

Voorbeeld: De leerlingen leren een backhand aan in de klas, sommige leerlingen hebben hier moeite mee ziet de leraar, want de backhand komt vaak te veel links of te veel rechts in het veld aan de overkant. Het is goed dat zij nog even door oefenen. Op 1 veldje echter gaat het uitstekend. De docent besluit om deze 2 leerlingen alvast te laten sparren en laat hen zien hoe je de backhand kunt sturen (niveau bepalende factor: variatie) door de bal eerder/later te raken of door de stand van het lichaam aan te passen tijdens de zwaai.

4. De afmetingen van het veld

Het vergroten of verkleinen van de afstand tussen twee spelers maakt het overspelen moeilijker of gemakkelijker. Ook een leerling die een fh goed links/rechts kan plaatsen, heeft al snel een verschil in speelniveau. Door nu het veld van de mindere speler smaller, zodat hij met zijn forehand dan het hele veld kan dekken.

5. De nethoogte

Een hoger net zorgt voor tragere balbanen en dus meer tijd om te kunnen retourneren. Door boven het reguliere net een tweede net (of toversnoer) te hangen, kunnen leerlingen jonglerend en sparrend (bij één of bij beiden het initiatief), traag (over het hoge net heen) en minder traag (onder het hoge net door) met elkaar spelen.

6. Het gebruiken van aangepast spelmateriaal

Er zijn 2 aanpassingen mogelijk:

• tragere en snellere ballen: Bij tragere ballen heb je wat meer tijd om in een goede positie ten opzichte van de balbaan te komen.

Bij tennis zijn er 4 verschillende ballen die vaak gebruikt worden:
*rode bal: voor in de zaal en buiten naast het servicevak (breedte baan)
*oranje bal: voor in het servicevak tot driekwart lengte van het veld
*groene (stip) bal: voor driekwart van het tennisveld tot hele veld
* gele bal: voor het gehele tennisveld

• de lengte van de steel van het racket bepaalt mede de moeilijkheidsgraad om een voorwerp te raken leerlingen kunnen kiezen uit rackets met verschillende lengten is een mogelijkheid om toe te komen aan verschillen. Hierbij kan worden uitgelegd dat ook in de sport het materiaal op maat wordt gemaakt voor spelers.

7. De opdracht van de docent

M.b.t. de telling: De mindere speler krijgt bij een geslaagde backhand 2 punten en de betere speler krijgt bij een geslaagde backhand 1 punt.

M.b.t. de spelregels: Sla de bal zo naar elkaar toe dat de ander niet van zijn plek hoeft te komen en tel hoe vaak het goed gaat.

M.b.t. het aantal beurten en kwaliteit van de beurten : De leerkracht bewaakt de kwaliteit van de beurten en legt uit waarom de betreffende regel/afspraak van belang is. De verschillen dreigen anders eerder groter te worden dan kleiner, wat afhakers zou kunnen opleveren!

Voorbeeld: Na drie keer de bal over het net gespeeld te hebben (al dan niet in een onderbroken slagenwisseling) ruimte maken voor de volgende speler. De ene speler slaat drie maal achter elkaar goed en moet dus ruimte maken. Een minder goede speler krijgt zo nodig meer pogingen, want pas als het lukt telt de beurt.

8. De groepssamenstelling

Juist met het oog op niveau verschillen is het van belang rekening te houden met de samenstelling van groepjes. Voor sommige spelactiviteiten kan het voordelig zijn te werken in niveauhomogene groepen, maar met de aanwezige verschillen in waarderingen liggen andere oplossingen soms meer voor de hand. In een groepje met een of meer vriendjes of vriendinnetjes (niveauheterogene groep) voelt een leerling zich veiliger en zal daarom minder bedreigend zijn om initiatieven te nemen. Als tussen bepaalde leerlingen grote rivaliteit bestaat, kan de leerkracht ze in verschillende groepjes indelen die niet tegen elkaar spelen

Direct aan de slag