Leerlingrollen in racketspellessen

In de racketspelles kunnen we, om uiteenlopende redenen, leerlingen naast het bewegen ook andere rollen laten uitvoeren. De meest legitieme reden zal voor een gymdocent(e) zijn, dat er anders veel leerlingen langs de kant zitten te wachten. Een leerlingen kan dan mooi een begin maken met het leren leidinggeven. Het kiezen van een goede toon van de docent in de (pedagogische) omgang met vaak kritische jongeren in een bepaalde leeftijdsfase, vraagt meestal om flexibiliteit en veel aanpassingsvermogen aan de leefwereld van de leerlingen.

Een aantal voorbeelden van leerlingen in andere rollen.

De leerling in een docerende rol en/of instruerende rol.

Onder het motto: “wat ik Hoor vergeet ik, wat ik Zie onthoud ik, wat ik Doe begrijp ik, wat ik Uitleg pas ik toe” kun je als docent een leerling die op een vereniging een racketspel beoefent aan (een gedeelte van) de groep laten lesgeven. De wijze van reguleren van de docent zal beginnen met weinig verantwoordelijkheid en eindigen met meer verantwoordelijkheid bij leerlingen. Tevens van veel begeleiding naar weinig begeleiding van de docent. Leerlingen zullen nu zelf ervaren hoe het is om voor een groep te staan, met positieve gevolgen voor de docent. Immers, indien leerlingen het goed oppakken krijgt hij “meer handen aan het bed” in zijn les.

Belangrijk is een stapsgewijze begeleiding van de docent om een eenvoudige bewegingssituatie op gang te laten brengen. De leerling zou bijvoorbeeld een warming-up kunnen geven i.c.m. een stukje herhaling van dat wat de vorige les aan de ode is gekomen.

Na de warming up is het zinvol om met de klas op een eenvoudige manier kort te evalueren. Bijvoorbeeld aan de hand van:
– VLAP (veiligheid, leerresultaat, arbeid, plezier)
– CCCC, (controleren, constateren, corrigeren, complimenteren)
– doceren is doseren
– plaatje, praatje, daadje

De leerling in een begeleidende rol.

De leerling in de rol van scheidsrechter. De scheidsrechters houden de bewegers aan de spelregels en zorgen ervoor dat andere bewegers geen nadeel ondervinden van de regelovertredingen van een ander. Het gaat hierbij om voorkomen, constateren en afhandelen van spelsituaties. Scheidsrechter zijn gaat voor leerlingen om:
1. WIE maakt de fout? (aanwijzen)
2. WAT is de fout? (signalen)
3. HOE luidt de beslissing? (zeggen/ wijzen)
De leerling moet dan:
– de spelregels kennen en ze weten toe te passen
– duidelijke gebaren en (fluit-) signalen kennen (“Hoe zijn de spelregels overtreden en wat nu?”)
– duidelijk communiceren (uitleg naar de spelers) en leiding geven (durven op te treden).
De spelers moeten de beslissing begrijpen en accepteren. Dat is niet altijd vanzelfsprekend. Vaak is de manier waarop de leerling zijn beslissing presenteert de reden dat een speler kan gaan twijfelen. Resoluut een verkeerde beslissing nemen kan vaak beter zijn dan helemaal geen beslissing nemen. Vervolgens hangt het weer van de onderlinge communicatie af in hoeverre dat dan weer goed komt of ontspoort. Voorwaarde voor het geven van de scheidsrechtersrol is dat de leerling het in een relatief veilige omgeving kan oefenen en dat de scheidsrechtersrol methodisch opgebouwd wordt.

De mogelijkheden hiervoor zijn:
• van zelf spelen zonder scheidsrechter naar spelen met een scheidsrechter
• van scheidsrechteren met gebruik van een enkele spelregels ( bijvoorbeeld in/uit, opslagrecht en de puntentelling) naar meer spelregels
• van scheidsrechteren in spelen met enkele spelers naar grotere teamspelen (bijv. van enkel- naar dubbelspel)
• van scheidsrechteren in spelen met weinig onderling contact naar meer onderling contact (denk aan squash)
• van meehelpen bij scheidsrechteren (docent is hoofdscheidsrechter) naar meer zelfstandig scheidsrechteren
• van scheidsrechteren met tweetallen naar alleen scheidsrechteren
• van scheidsrechteren in spelsituaties in een context met weinig wedstrijdbelang naar scheidsrechteren in een context met meer wedstrijdbelang (toernooi, finale, toeschouwers)
• van fluiten waarbij weinig eisen worden gesteld aan de (arm)gebaren voor spelhervatting of regelovertreding naar situaties met meer eisen hieraan
• van scheidsrechteren met ‘schoolregels’ naar scheidsrechteren met de meer officiële sportregels
• van scheidsrechteren van een groep met weinig niveauverschillen naar scheidsrechteren van een groep die op een hoger niveau (en ‘fanatieker) speelt
• van scheidsrechteren in een groepje met een goede acceptatie t.a.v. beslissingen naar scheidsrechteren in een groepje dat op beslissingen vaak kritischer reageert
• van scheidsrechteren van de ‘eigen’ sport naar scheidsrechteren bij een andere sport

De leerling als trainer.

Indien het vaardigheidsniveau het toelaat, zijn er situaties denkbaar waarbij de leerling een trainersrol kan vervullen. Good-guy / bad-guy (spar-) situaties kunnen gezien worden als geschikte situaties om de trainersrol te leren vervullen. De betere leerling is dan de Good-guy en moet alles netjes aanspelen voor de minder goede leerling, die juist de shuttle overal mag slaan. Iets dat vaak per ongeluk gebeurt overigens. Deze trainersrol is overigens vrij moeilijk.

Een voorbeeld van een simpele vorm om de rol als trainer te vervullen is onderstaande oefening. Laat een leerling een slag oefenen vanuit het aangooien van het speelvoorwerp  door “de trainer”. Laat het speelvoorwerp steeds op de vloer vallen, zodat de persoon die oefent feedback krijgt over de kwaliteit van de slag. Hoe dichter bij het mikpunt hoe beter de poging was. De “trainer” gooit op niveau aan en beoordeelt de poging.

De beoordeling van de trainer moet gericht zijn op concreet waarneembaar gedrag, bijvoorbeeld: Raakt de leerling het speelvoorwerp op de optimale hoogte t.o.v. zijn lichaam?

De leerling als coach

Dit is de moeilijkste rol die je een leerling kunt laten uitvoeren. In de bovenbouw van het V.O. is de kans groter om deze rol succesvol te laten verlopen. De leerling, in de rol van coach, zal het deelnemen van medeleerlingen aan bewegingssituaties kunnen begeleiden waarbij:

– de deelname aan de activiteit (meer of minder) gestimuleerd wordt
Bijv..: Laat de coach vragen aan de leerling hoe hij aangemoedigd wil worden als de stand in de wedstrijd erg spannend is. Is dat “kom op!”, “je kan het” of misschien wel juist niets zeggen.

– medeleerlingen zinvolle aanwijzingen krijgen op basis van eenvoudige observaties en analyses Bijv..:”Je maakt veel fouten met je forehand, sla iets ruimer over het net!”

– kennen van eenvoudige tactieken Bijv..:”sla vaker het speelvoorwerp hoog en diep, zodat je tijd hebt je positie in het veld te herstellen”

– spelgedrag herkennen dat nodig is voor sportief verloop Bijv.: De speler die je coacht roept “YES!” als zijn tegenstander in het net slaat.

De leerling in een organiserende rol.

De keuze van een geschikte organisatievorm bij een bepaalde bewegingsactiviteit (wedstrijd, training, competitie, toernooi, instuif, vertoning of presentatie) zal docent, taak, leerling en context afhankelijk zijn. Ook hier geldt de voorwaarde voor het geven van de organiserende rol aan een leerling dat hij/zij het in relatieve veiligheid moet kunnen oefenen. Voor elk leerling zal dus afzonderlijk binnen de rolverdelingen de meest haalbare situatie uitgekozen moeten worden.

Bij het organiseren van een toernooi in de gymles zijn de speelvoorwaarden leermomenten voor de organiserende leerlingen. Voorbeelden hiervan zijn het aantal spelers, de tijdsindeling, de puntentelling, het doordraaisysteem en weten dat het spel het leukst is met gelijkwaardige tegenstanders.

De leerling in een observerende rol.

Zodra leerlingen langs de kant gerichte opdrachten mee krijgen ontdekken ze eerder oorzaken van het wel of niet lukken. Voorbeelden zijn:

– wie geeft er welke aanwijzingen, anders gezegd waar focus je op?
– spreek af dat ieder één speler bekijkt en noem 1 sterk punt en 1 te verbeteren punt.
– wie vind je de meest sportieve speler?
– noteer op welke plek in het speelveld bij een leerling de punten gescoord worden.
– laat een leerling die niet meedoet een leerling volgen en beschrijven aan het einde van de les. De groep moet raden wie er in dat bewegingsprofiel past.
– je kan naar elkaar laten kijken in de eerste en in de vierde les. Het is leuk en werkt stimulerend om te zien dat een zwakkere een leerling enorm is vooruit gegaan. Video beelden kunnen daarbij ondersteunend werken.
– hoe hebben de meeste leerlingen hun racket vast?
– hoe duidelijk is de scheidsrechter?

Talenten van leerlingen in andere rollen lopen sterk uiteen. De sociale vaardigheid van de leerling, de context waarin de rol uitgevoerd moet worden en de positie die de leerling binnen de groep inneemt, zijn vaak sterk bepalend voor het slagen van uitvoeren van die rol. Bijvoorbeeld het leren durven optreden als scheidsrechter bij een wedstrijdje racketspel met een beperkte hoeveelheid regels zal bij veel leerlingen eerder slagen dan de rol om als coach op te treden als deelname aan een activiteit gestimuleerd moet worden.

Voor elke leerling zal dus afzonderlijk de meest haalbare situatie uitgekozen moeten worden. Deze zal afhankelijk zijn van:
• het soort spel (dubbelspel of enkelspel)
• de bekendheid met de racketsport
• het aantal en soort punten/regels/interpretatie problemen
• de grootte van de groep
• de samenstelling van de groep die gescheidsrechterd/geobserveerd/gecoacht/getraind moet worden
• de context waarin gescheidsrechterd/gecoacht/geobserveerd moet worden (bijv. de belangen van winnen en verliezen zijn groter in finales met veel toeschouwers. Niet elke leerling zal dat als scheidsrechter even goed kunnen leiden.) De hoeveelheid begeleiding die beschikbaar is van de docent of een medeleerling (bijv. samen met de docent of een ervaren leerling lesgeven).

Direct aan de slag