Methodiek Badminton

Methodische aspecten van badminton

Om badminton op een efficiënte manier aan te leren zijn er vanuit methodisch oogpunt allerlei zaken waarmee rekening gehouden dient te worden, zodat de kans op succesbeleving wordt vergroot. Afhankelijk van het niveau en de leeftijd van de kinderen zal er niet alleen een keuze gemaakt moeten worden m.b.t. de oefenstof (de keuze voor de manier van spelen en de te hanteren technieken) , maar ook de voor arrangementen en regels. Hieronder komen deze verschillende onderdelen aan bod.

Omdat we uitgaan van het denken en werken vanuit spelen i.p.v. het oefenen van technieken, beginnen we uiteraard met een methodisch perspectief vanuit dat spelen .

Spelen: verschillende manieren van spelen

Vooral bij het aanbieden van spelletjes/spelsituaties is een methodische opbouw noodzakelijk en moet er goed gedacht worden van makkelijk naar moeilijk, zodat e.e.a. haalbaar (lees; speelbaar) is. Immers als de gekozen spelletjes / spelsituaties te lastig zijn, komt het spelplezier in het gedrang en kunnen kinderen af te haken.

Een veel in de literatuur voorkomende volgorde is die waarbij er wordt gesproken van:

spelen met elkaar -> sparren -> spelen tegen elkaar

Eerst een korte toelichting op deze verschillende manieren van spelen.

Met elkaar spelen

Onder spelen met elkaar wordt verstaan; het zo spelen van een speelvoorwerp dat de ander er gemakkelijk bij kan en een grote kans heeft deze goed terug te slaan. Doel van deze manier van spelen is het samen op gang houden van de rally. Je hebt hetzelfde doel als je medespeler.

Voorbeeld: Het tellen van de langste rally. De spelbedoeling, met elkaar, komt duidelijk naar voren. Hoe vaak gaat het samen goed?

Binnen deze manier van spelen kun je overigens het “spelen tegen” prima combineren. Je speelt dan samen met jouw medespeler “tegen” andere spelers.

Voorbeeld: welk tweetal kan het vaakst overspelen in een minuut?

Sparren

Bij sparren gaat erom dat je het speelvoorwerp zo speelt, dat de ander er moeilijk(er) bij kan. M.a.w. hij moet het net wel kunnen halen. Dit vraagt veel controle en je kunt je dan ook afvragen of sparren eigenlijk niet moeilijker is dan spelen tegen elkaar.

Sparren kan op 2 manieren worden gedaan; 1. beide spelers sparren elkaar of 2. een van de twee spart de ander

Als beide spelers elkaar sparren bestaat het gevaar dat de leerlingen snel verzanden in spelen tegen elkaar, omdat zij het elkaar steeds iets (niet perse bewust overigens) moeilijker gaan maken. Dit is voor het onderwijs dan ook veelal te moeilijk en daarom kan er beter worden gekozen voor de situatie waarbij een van de twee de ander spart.

We spreken dan over een “Good Guy”(=GG) / “Bad Guy” (=BG) situatie. Hierin is de BG degene die de ander aan het werk mag zetten. De GG is beperkt in wat hij mag doen.

Een voorbeeld ter illustratie: de BG mag het speelvoorwerp gevarieerd voor- en achterwaarts aanspelen, zodat de GG met meer moeite de shuttle kan terugspelen. De GG moet alles zo terug slaan, dat de BG zo min mogelijk vanaf zijn plaats hoeft te komen en de shuttle weer gemakkelijk krijgt aangespeeld.

Spelen tegen elkaar

De bedoeling is waarschijnlijk wel duidelijk. Je probeert de rally te winnen van de tegenspeler. Het gaat om het behalen van punten ten koste van die tegenspeler. Er is sprake van strijdige belangen. Het spelen van wedstrijdjes, al dan niet met aangepaste regels vallen hier onder.

Wat zijn methodisch logische stappen binnen deze drie vormen van spelen?

Het spelen “met elkaar” is een logische eerste stap. Veel beginnende racketsporters beleven in eerste instantie meer plezier aan het zo lang mogelijk op gang houden van een speelworp. Pas als het raken met van het voorwerp regelmatig lukt zal er de behoefte ontstaan om het de ander lastig te gaan maken. Maar waar kies je dan voor? Eerst sparren of eerst tegen elkaar? Zoals eerder is opgemerkt is sparren een lastige stap. Het vraagt immers veel controle om het speelvoorwerp zo te spelen dat de ander er net bij kan. Dus net niet te hard en net niet te zacht.

Er is nog een ander argument om eerder te starten met “tegen elkaar” dan met “sparren” en dat is de kinderen het vaak leuker/uitdagender vinden om zo te spelen. Ze willen zich vaak graag meten met elkaar.

Toch is het belangrijk om, als het spelniveau het toelaat, regelmatig te kiezen voor “sparren”. Het is duidelijk een vorm van spelen die sturend kan zijn naar bepaalde lesdoelen toe. Bij tegen elkaar spelen zie je vaak dat kinderen erg druk zijn met het maken van punten en aangeleerde zaken, zoals een stukje techniek, eerder overboord gooien. Als ze sparrend spelen is die neiging vaak minder groot. Het sparren waarbij beide spelers het elkaar moeilijker maken is lastiger dan de situatie waarin een van de twee aan het werk wordt gezet en komt daarom methodisch gezien pas later aan de orde.

Samengevat: aan de volgorde van de drie verschillende manieren van spelen kan en moet dus niet rigide worden vastgehouden. Het afwisselen van spelen met elkaar, sparren en tegen elkaar gebeurt in opeenvolgende lessen regelmatig en dient doelbewust te worden gekozen t.a.v. gekozen (spel)doelen.

Een voorbeeld ter illustratie; Er wordt gespeeld tegen elkaar door diepe en korte shuttles af te wisselen. Dan is het goed, om het beter leren spelen van een dropshot en het antwoord erop in de vorm van een lob, meer gesloten te oefenen. In een “met elkaar situatie” dus, zodat een gegeven technisch aandachtspunt kan worden geoefend. Bijvoorbeeld tellen hoe vaak de ene leerlingen een drop kan spelen terwijl de ander deze weer als lob hoog diep terug slaat.

Wat wordt er verstaan onder gesloten, half open en open spelsituaties?

  1. Gesloten spelen:
    Hierbij ligt het patroon van de slagen vast. Dus bijvoorbeeld forehand naar forehand is gesloten, maar backhand, forehand, backhand, forehand is ook een gesloten vorm. Beide spelers weten immers wat er gaat komen. Techniek kan met deze vorm prima geoefend worden, maar het draagt niet snel bij aan tactisch inzicht.
  2. Half open spelen:
    – Bij deze vorm is er voor een of voor beide spelers een keuze. Dit kan op meerdere gebieden: diep of ondiep, links of rechts of hard of zacht spelen. Hierbij is enige kennis over tactiek wel noodzakelijk. Deze vorm kan bijvoorbeeld ook good guy/bad guy zijn, waarbij de ene leerling gevarieerd slaat (keuze) en de andere leerling heeft GEEN keuze.
    – Half open is ook bijv. eerst twee shuttles MET elkaar en daarna TEGEN elkaar (rally vrij). Het voordeel hiervan is dat de leerlingen het gevoel hebben veel te spelen, maar omdat de rally’s vaak kort zijn oefenen ze ook regelmatig! Wanneer de docent langs de veldjes loopt, ziet hij dus spelen en oefenen; handig voor instructie of aanwijzingen geven.
  3. Open spelen:
    Hierbij kiezen beide spelers zelf hoe zij willen slaan.

Techniek

Ervaringen die kinderen hebben gehad met allerlei grondvormen van bewegen zoals gooien, vangen, lopen e.d. , maar ook activiteiten als soleren, jongleren, retourneren bepalen in grote mate het startniveau waarop kan worden ingezet bij het geven van onderwijs in racketsporten.

Gewenningsoefeningen

Gewenningsoefeningen zijn meer sportspecifieke oefeningen die ten doel hebben om de leerlingen enerzijds inzicht te laten krijgen in het vluchtgedrag van een shuttle en anderzijds de oog -hand -coördinatie te laten ontwikkelen naar de “verlengde arm” toe wanneer leerlingen zich dit onvoldoende eigen hebben gemaakt. Zij kunnen min of meer gezien worden als een logisch vervolg zijn op het genoemde jongleren, soleren e.d.

Hiermee is niet gezegd dat je de lessen altijd moet starten met gewenningsoefeningen! Zij zijn geen doel op zich, maar worden gebruikt als blijkt de het overspelen van een shuttle, met andere woorden het spelidee, nog te hoog gegrepen is. Dan is het nuttig om d.m.v. gewenningsoefeningen leerlingen eerst handiger te maken, zodat daarna het aanleren van sportspecifieke slagen makkelijker haalbaar wordt.

Wanneer op basis van het gesignaleerde beginniveau gekozen moet worden voor gewenningsoefeningen, dan is de methodische opbouw als volgt:

Van individueel -> naar tweetallen -> tot meertallen

Van op de plaats -> naar bewust bewegend / verplaatsend

Van een slagtechniek -> naar meer slagtechnieken

Van zonder tijdsdruk -> naar met tijdsdruk

Van een shuttle -> naar meer shuttles

Methodische lijn aanbieden basisslagen / slagtechnieken

Voor het onderwijs wordt een keuze gemaakt uit het aantal totaal bestaande technieken, omdat niet alle bestaande slagen relevant dan wel haalbaar zijn.

Een gangbare methodische lijn daarvoor is de volgende. Uiteraard wordt ook nu gedacht vanuit het spel (eerst met elkaar en later meer tegen elkaar).

Onderhandse aangeefslag (o.h.a.s.) / lob service -> fh – clear -> fh – drop -> lob (met fh en bh) -> netdrop (met bh en fh ) -> smash -> verwerken van de smash -> korte service -> dab -> bh – drop

De gedachtegang achter deze indeling is de volgende.

Het beheersen van het wegspelen van de shuttle uit de hand is noodzakelijk, omdat de leerling daarmee in staat is om de shuttle in de rally te brengen. De o.h.a.s. is qua bewegingsuitvoering hetzelfde als de lob service. Het verschil zit vooral in de intentie om de shuttle makkelijk speelbaar (o.h.a.s.) of juist moeilijker (lob service) aan te willen spelen voor een mede- of tegen speler. Het echt gericht heel diep leren spelen van een lobservice is dus een logisch vervolg op een o.h.a.s., maar zal veelal pas later worden aangeboden in de lessen als de leerlingen toe zijn aan het spelen tegen elkaar. Te denken valt aan het moment waarop de tegenspeler een te korte shuttle gaat afmaken en het belangrijk wordt dat je de shuttle goed diep weet te spelen.

Niet alle kinderen zijn gemakkelijk in staat een shuttle onderhands weg te spelen. Het laten oefenen van het wegspelen van een shuttle kan op allerlei manieren worden gedaan. Voorbeelden zijn; mikken op korven, slaan over verhoogde toversnoeren of via een hoge boog slaan in een emmer die een ander boven het hoofd houdt. Mocht een kind, ondanks aanwijzingen of hulpmiddelen, moeite houden met het onderhands wegspelen, dan kan er voor worden gekozen om een opgegooide shuttle bovenhands weg te laten spelen, zodat de rally kan worden begonnen.

De (forehand) clear is een logisch vervolg op een hoog aangespeelde shuttle. Als leerlingen deze twee slagen beheersen, kan er al worden gespeeld. De dominantie van het spel is dan spelen met elkaar.

(Kinderen kunnen er toe neigen om de shuttle laag te slaan in de shuttlebaan. Een onderhandse slag, min of mee een lob, is dan het gevolg. Als eerste tussenstap in het spelen met elkaar vanuit een o.h.a.s. kan dat wel, maar er zal zo snel mogelijk moeten worden geprobeerd om de shuttle boven het hoofd te slaan. Immers vanuit die situatie is het niet alleen mogelijk om de shuttle hoog en diep achterin het veld te spelen, hetgeen van belang is bij het spelen tegen elkaar, maar kan de shuttle ook beter zo hoog gespeeld worden, dat de medespeler meer tijd krijgt om onder de shuttle te komen als er gespeeld wordt op het niveau van met elkaar.)

Wanneer er vervolgens meer tegen elkaar gespeeld gaat worden is variatie kort / lang de eerst volgende stap. Wanneer de shuttle met de fh clear wordt overgespeeld van meer achteruit het veld, zal het laten lopen van de tegenspeler dienen te gebeuren door de shuttle ook af en toe kort te spelen d.m.v. een fh drop .

De ander zal als antwoord op deze fh drop de shuttle diep proberen te spelen als lob of kort als netdrop . Dit is afhankelijk van de positie van de tegenspeler.

De lob is de slag waarbij de kort geslagen shuttle weer hoog en diep achter in het veld wordt geslagen. Dit kan met de fh maar ook met de bh. Veel kinderen vinden de fh lob makkelijker, maar dat geldt niet voor alle leerlingen.

Als alle kort geslagen shuttles met een diep geslagen lob zouden worden beantwoord, dan wordt het voor een tegenspeler makkelijk om zich hierop in te spelen. Daarom zal als alternatief voor de diep geslagen lob de kort geslagen netdrop al snel als extra alternatief moeten worden aangeleerd om kinderen een keuze te geven. Voor de netdrop geldt dat de netdrop gespeeld met de bh vaak makkelijker wordt gevonden, maar dat geldt weer niet voor alle kinderen. Een vrije keuze daarin in eerste instantie lijkt dan ook aan te bevelen.

Wanneer de kinderen de eerder genoemde slagen redelijk weten toe te passen in een spelletje op een lang en smal veld, dan kan daarna de smash worden geïntroduceerd. Een aanvallende slag die gespeeld wordt als de aankomende shuttle niet diep genoeg is. Als antwoord op de smash dient tegelijkertijd het verdedigen/verwerken van de smash onder de aandacht te worden gebracht.

Meestal zal het kort serveren, de “short -service” worden geïntroduceerd als er meer in de breedte kan worden gespeeld, maar dit zou ook kunnen op lange smalle veldjes als afwisseling op de lobservice. Wanneer er niet laag en kort genoeg wordt geserveerd kan de ander dit afmaken m.b.v. een “dab”. Voor schoolsituaties is dit iets wat meestal pas aan het einde van de methodische lijn komt te zitten.

Wanneer de velden breder worden ontstaat eerder het spelprobleem van een hoge diepe shuttle op de bh. De bh clear is een erg lastige slag en zal in het onderwijs niet snel aan bod kunnen komen gezien de beschikbare tijd. Een oplossing voor het probleem van een hoge diepe shuttle op de bh is dan eerder het spelen van een bh drop . Deze slag is eerder haalbaar, omdat er veel minder hard hoeft te worden geslagen, waardoor het coördinatief eenvoudiger is om te doen.

Er zijn binnen badminton nog meer slagtechnieken. Voor het onderwijs is het bovengenoemde, gezien de beschikbare tijd, waarschijnlijk meer dan voldoende om kinderen zowel enkel als dubbelspel te laten ervaren.

Arrangement

De methodische aanpassingen m.b.t. het arrangement worden toegespitst op;

-het speelveld -het net -mikpunten / targets -materialen

Het speelveld

Het te kiezen speelveld is van groot belang voor het al dan niet kunnen slagen in het spelen van het spel. Veelal wordt het speelveld in het onderwijs overigens bepaald door de beschikbare ruimte. Een opbouw binnen de arrangementen loopt meestal via de onderstaande route.

Vrije opstelling in de zaal voor gewenningsoefeningen (indien noodzakelijk) -> bad- mini- ton (over een korte afstand op smalle veldjes) -> smalle lange veldjes (voor variatie kort / lang) -> bredere veldjes (voor variatie links / rechts) -> volledig veld ( voor zowel volledig enkel- als dubbelspel)

Vooral het variëren in de breedte en spelen op een heel veld zal in het onderwijs beperkt voorkomen als gevolg van de grote groepen waarmee in een beperkte ruimte moet worden gewerkt. Het werken vanuit lange smalle veldjes, waarbij voor- en achterwaarts kan worden gevarieerd, is de meest voorkomende situatie waarbinnen gespeeld gaat worden. Het verdient dan ook de aanbeveling dat naar het maken van de keuzes voor het aanbieden van spelsituaties en daaraan gekoppeld de slagen, die situatie c.q. dat arrangement leidend zal zijn.

Het net

Naast aanpassingen in het speelveld, kan er door het net te verhogen of verlagen makkelijker of moeilijker worden gespeeld. Voorbeeld: het net verhogen is een goede maatregel als je leerlingen bovenhands met elkaar laat spelen en het doel is een zo lang mogelijke rally maken (tellen). Door het net te verhogen zal het opwaarts spelen worden gestuurd.

Mikpunten / targets

Het werken met mikpunten kan methodisch worden opgebouwd door van grotere vlakken of gebieden naar steeds kleinere te gaan. Voorbeeld: de dropshot mag eerst worden geslagen in het gehele gebied achter het net en voor de servicelijn. Daarna moet de dropshot landen in een kleiner gebied, bijvoorbeeld een hoepel die net achter het net wordt gelegd.

Materialen

Voor zowel rackets als shuttle zijn methodisch keuzes te maken die het makkelijker dan wel moeilijker maken voor leerlingen.

Rackets

Grofweg zijn er drie maten in badminton rackets. Het gaat dan om een verschil in de lengte van de steel van het racket. Het kleinste formaat (mini- badminton) is die waarbij het handvat meteen onder het racketblad zit. Daarna komt een tussenmaat (midi- badminton), waarbij de steel wat langer is dan bij de mini variant, maar korter is dan die bij het normale badminton racket. Vooral voor jonge kinderen, maar ook minder getalenteerde oudere leerlingen is de keuze voor een raket met een kortere steel vaak de sleutel tot meer succesbeleving. Een belangrijke reden hiervoor is dat de ooghandcoördinatie een stuk eenvoudiger wordt.

Het aanschaffen van rackets met verschillende lengte van de stelen is dus zeker aan te raden voor scholen.

Shuttles

Een shuttle met een tragere vluchtbaan heeft in eerste instantie de voorkeur.

  Doekje: trage shuttle baan!

Zeker zolang er gespeeld wordt op het niveau van met elkaar en de speelafstanden klein zijn. Mocht een shuttle te lastig te raken zijn, dan bieden ballonnen (niet te hard opblazen) vaak ook sneller succesbeleving. Plastic shuttles zijn voor scholen het meest economisch verantwoord. Bij het aanschaffen ervan dient er dus rekening te worden gehouden met de snelheid. Als er tegen elkaar gespeeld gaat worden is een wat snellere shuttle aan te raden, omdat die shuttle wat makkelijker diep te slaan is in het veld en er dus gemakkelijker voor- achterwaarts kan worden gevarieerd.

Voor een nadere toelichting voor het belang van het kiezen van de juiste arrangement

Spelregels

Ook bij het kiezen van spelregels moeten er vanuit methodisch oogpunt keuzes gemaakt worden. Het niveau van de leerlingen, zowel fysiek als cognitief, bepaalt niet alleen welke regels, maar ook het aantal regels dat kan worden aangeboden. Ook de manier waarop er gespeeld wordt is sturend. Immers voor tegen elkaar zijn andere regels van belang dan voor met elkaar.

Het is daarom lastig om exact aan te geven met welke regels je moet starten. Daarom volstaan we met een globale richtlijn.

Er worden niet meer regels aangeboden, dan dat er nodig zijn om het spelletje op een bepaald niveau te kunnen spelen. Ter illustratie wordt op elk niveau van spelen een voorbeeld gegeven.

Voorbeeld 1: als er op een smal lang veldje tegen elkaar gespeeld wordt, is de regel over het schuin serveren niet relevant. Immers, het veld is daar te smal voor.

Voorbeeld 2: als er gespeeld wordt met elkaar, is de verplichting tot onderhands serveren niet perse noodzakelijk

Voorbeeld 3: tijdens sparren, is de regel van een shuttle op de lijn is in, niet ter zake doende

Direct aan de slag